| De kerststal |
| Lang, heel lang geleden was er eens een jonge beeldhouwer en die ging dood. Geld bezat hij niet, want hij was maar een arme kunstenaar. Toen de pastoor van zijn dood hoorde en zijn werkplaats betrad vond hij een klein briefje waarop stond: |
| Zeereerwaarde heer pastoor, Een begrafenis kan ik niet betalen. Maar wat achter het gordijn staat is voor uw kerk. Het is misschien niet veel, maar ik heb er wel mijn hele ziel en zaligheid in gelegd. Hoogachtend, de beeldhouwer.Plaats vlak voor de kameel altijd een brandende kaars. Dat geeft van die mooie, en ook een beetje geheimzinnige schaduwpartijen op de achterwand. Kinderen vinden dat prachtig. |
| De pastoor sloeg het gordijn terug en keek vol verbazing naar de mooiste kerststal die hij ooit had gezien. Het ene beeld was nog indrukwekkender dan het andere, van koning tot herder, en leken naar het leven gebeeldhouwd. De gehele kerstgroep was compleet; ook de os, de ezel en zelfs een enorme kameel ontbraken niet. De pastoor haastte zich terug naar de kerk en droeg uit dankbaarheid een mooie requiemmis op voor de overleden beeldhouwer. Ook regelde hij een nette begrafenis. De koster sjouwde de volgende dag onder veel gepuf en gehijg de loodzware beelden één voor één naar de kerk. Het was juist de week voor Kerstmis, en de parochianen en vele andere mensen kwamen van heinde en verre toegestroomd om de groep te bewonderen. “Wat een schitterende beelden,” zei iedereen. “Onze beeldhouwer heeft zich zelf overtroffen. Hij is nu dood, maar kijk, hij leeft voor altijd voort in deze prachtige kerstgroep.” En zo was het. Ieder jaar opnieuw wikkelde de koster de beelden uit de oude kranten waarin hij ze het jaar daarvoor zorgvuldig had verpakt, schikte ze rond de kribbe, en stak de kaarsen aan (het flakkerende kaarslicht deed de schaduw van de kameel over de wand bewegen). De bezoekers stroomden toe, en ouders vertelden aan hun kinderen over de beeldhouwer en hoe de kerk aan die bijzondere kerstgroep was gekomen, net zoals ze dat vroeger van hun eigen ouders ook hadden vernomen. Zo bleef de beeldhouwer voortleven in de herinnering. En de kinderen keken ieder jaar opnieuw naar de geheimzinnig bewegende schaduw van de kameel op de achterwand. Zij zongen daarbij hun vrome liederen, zodat het Kerstfeest in alle luister en omringd met alle tradities kon worden gevierd. |
Maar zoals dat nu eenmaal gaat in een sprookje, op een kwade dag ging het mis. Er kwam een nieuwe pastoor (“pastor”, zei hij zelf) met hele moderne en frisse ideeën, ideeën waarin een eeuwenoude beeldengroep niet meer paste. Hij sprak van dialoog met de wereld, over deuren die naar buiten open gaan, ja over basisgemeentes en forse vernieuwing van onderaf, over de nieuwe bijbelvertaling, over sterk gewijzigde theologische inzichten en de vrouw in het ambt, en over “die oude poppenkast afschaffen”, en meer van dat soort afgrijselijke woorden. Kerstmis naderde, maar een stal en een kribbe kwamen er onder de nieuwe, vooruitstrevende pastoor de kerk niet meer in, laat staan dat de daarbij behorende beelden werden uitgepakt. Er kwamen nog wel kinderen de kerk in, maar het enige wat zij aantroffen was een voederbak gevuld met stro, en twee beelden van een asielzoekend echtpaar. De kinderen werd uitgelegd dat deze opstelling zeer modern en politiek correct was, maar daar hadden ze geen boodschap aan, want ze waren gekomen voor Maria en Jozef, en een kribbe met het Kind Jezus. En waar was het pronkstuk gebleven, de enorme kameel met zijn geheimzinnig flakkerende schaduw? |
| * * * |
|
“Ik voorzie dit jaar grote problemen,” mompelde koning Melchior. Hij had de laatste weken vanaf de bovenste plank in de kast van de sacristie met ongerustheid meegeluisterd naar alle krankzinnige moderniseringsideeën. Een jaar lang had hij ingepakt gelegen in de sportpagina van een jaar terug (“Excelsior grijpt naast periodetitel”) en hij vreesde op deze manier nooit te weten te komen of zijn club nog was gepromoveerd. |
| * * * |
Kanunnik Stefan Coppieters van de orde van de Heilige Cajetanus, bekend om haar werk voor nooddruftige weeskinderen in veelal verre landen, staarde peinzend naar de advertentie van de veiling van failliete kerkinboedels. Lang geleden had er in zijn woonplaats Gent een jonge en geniale beeldhouwer gewoond, die vanwege duistere persoonlijke problemen de stad in grote haast had moeten verlaten, en waarschijnlijk in noordelijke richting was vertrokken; niemand die het met zekerheid kon zeggen. De geruchten gingen dat zijn meesterwerk, een kerststal, waar hij zijn hele ziel en zaligheid in had gelegd, zich daar ergens nog moest bevinden. Zou dit dan wellicht …. Hij raadpleegde de stand van zijn girorekening, knikte vastbesloten, trok zijn jas aan en begaf zich met vaste tred naar het treinstation Sint Pieters. |
| * * * |
Het was Kerstavond. Niet hier, niet in Gent, nee lieve kinderen, heel ver weg, ergens in een klein Afrikaans dorpje, gelegen midden in een groot oerwoud. In dit dorpje bevond zich een klein weeshuis, arm maar netjes, op de been gehouden door de broeders van de orde van de Heilige Cajetanus uit Gent. In het kerkje naast het weeshuis brandde licht. Er klonk het vrome geluid van kindergezang, kerstliederen om precies te zijn. Een stokoude broeder met een grote witte baard dirigeerde het kinderkoor, dat stond opgesteld vlak voor een prachtige, oude kerstgroep, met beelden die welhaast levensecht leken. De kinderen gingen na afloop op rij terug naar het weeshuis, waar een andere broeder ze het wonderschone verhaal van Maria, Jozef en het Kind Jezus voor de zoveelste keer vertelde, en hoe de Drie Koningen het Kind Jezus kwamen aanschouwen, begeleid door hun knechten en vergezeld van hun kamelen. Zij boden het Kind hun gaven aan: goud, wierook en mirre. Intussen doofde de stokoude broeder met de grote witte baard in de kerk de kaarsen, op één na, en sloot vervolgens de kerk af. Buitengekomen keek hij even omhoog. Aan het firmament schitterden talloze sterren aan een heldere, nachtelijke hemel, terwijl binnen …. |
| * * * |
| Balthasar, de oudste en meest wijze van de Drie Koningen, knikte goedkeurend, en ook de twee andere koningen keken tevreden om zich heen. Zeker, de omgeving was wel helemaal anders – zelfs met Kerstmis was het hier smoorheet – maar de sfeer was er precies goed, als vanouds zeg maar, en daar ging het natuurlijk om. Gedrieën schoven ze nog een klein beetje naar voren, en knielden toen vol devotie neer voor de kribbe, met daarin gelegen het Kind Jezus, want het klokje van de kerk sloeg juist op dat moment het middernachtelijk uur, en dat betekende: het was Kerstmis. |
Een lichte tocht trok door het kerkje en deed de kaars die was blijven branden even flakkeren. De schaduw van de kameel bewoog hierdoor zachtjes over de muur, een beetje geheimzinnig maar toch ook weer vertrouwd. Jodocus, de oudste der herders, zag het en glimlachte tevreden voor zich uit, want precies zo (en niet anders) had hun schepper, de in ballingschap gestorven jonge beeldhouwer uit Gent, het indertijd bedoeld. |
| Einde |
|
Rotterdam, december 2011. Leo Knoops en Wim Knoops. |